Defibrillator

Het gebruik van de automatische externe defibrillator (AED)

Bron: Richtlijnen 2005 van de Europese reanimatieraad

Er zijn enkele bijzondere aandachtspunten wanneer een AED wordt gebruikt door niet-professionele of niet-medische hulpverleners.
Standaard AED’s mogen ook bij kinderen ouder dan 8 jaar gebruikt worden. Gebruik bij kinderen tussen 1 en 8 jaar pediatrische elektroden of een pediatrische modus indien beschikbaar. Zo niet, gebruik dan de AED zoals hij is. Het gebruik van AED’s bij kinderen jonger dan 1 jaar wordt afgeraden.

Algoritme voor het gebruik van een AED

  • 1. Zorg voor de eigen veiligheid, die van het slachtoffer en alle omstaanders.
  • 2. Is het slachtoffer bewusteloos en ademt hij/zij niet normaal, stuur iemand uit om een AED te halen en een ziekenwagen te bellen.
  • 3. Start CPR conform de richtlijnen voor basisreanimatie.
  • 4. Zodra de defibrillator beschikbaar is :
    • Zet de AED aan en kleef de elektroden op de ontblote huid van het slachtoffer. Als er meer dan één hulpverlener aanwezig is, ga verder met CPR tijdens het uitvoeren van die handelingen.
    • Volg de gesproken/visuele instructies op.
    • Zorg ervoor dat niemand het slachtoffer aanraakt terwijl de AED het ritme analyseert.
  • 5a. Indien een defibrillatieschok aangewezen is :
    • Zorg ervoor dat niemand het slachtoffer aanraakt.
    • Duw op de schokknop zoals aangegeven (volautomatische AED’s leveren de schok automatisch af).
    • Ga door zoals aangegeven door de gesproken/visuele instructies.
  • 5b. Indien er geen defibrillatieschok aangewezen is :
    • Start onmiddellijk CPR, met een verhouding van 30 compressies voor 2 beademingen.
    • Ga door zoals aangegeven door de gesproken/visuele instructies.
  • 6. Blijf de instructies van de AED opvolgen tot :
    • De gespecialiseerde hulp er is en de behandeling overneemt.
    • Het slachtoffer normaal begint te ademen.
    • Je uitgeput bent.

CPR vóór defibrillatie

Zodra een AED beschikbaar is, onmiddellijk starten met defibrillatie. Dat is altijd het sleutelelement geweest, zowel in de richtlijnen als tijdens de opleiding.
Dat werd beschouwd als vitaal voor het slachtoffer van een ventrikelfibrillatie. Dit concept werd in vraag gesteld omwille van gegevens uit verschillende studies die suggereren dat het uitvoeren van hartmassage vóór de defibrillatie de overlevingskansen verhoogt op voorwaarde dat er meer dan 5 minuten verlopen tussen de oproep en de aankomst van een ziekenwagen.

Een belangrijk element in al deze studies is dat CPR steeds uitgevoerd werd door ervaren paramedici die de luchtweg beschermden door intubatie en die 100 % zuurstof toedienden. Dezelfde hoge kwaliteit van beademen kan niet van niet-professionele hulpverleners verwacht worden wanneer zij mond-op-mondbeademing geven.

Bovendien wordt het voordeel van CPR pas duidelijk wanneer er meer dan 5 minuten ligt tussen de oproep en de beschikbaarheid van een defibrillator; bij een hartstilstand in aanwezigheid van een getuige is de tijd die verloopt tussen de collaps en de aankomst van de hulpverlener met een AED zelden met zekerheid gekend.

Ten slotte is het niet logisch een door een omstaander gestarte reanimatie nog voort te zetten als de AED beschikbaar is.

Daarom wordt in de richtlijnen voor de BLS-AED setting aanbevolen onmiddellijk een defibrillatieschok te geven zodra de AED beschikbaar is.

Vandaag wordt er meer het accent gelegd op het belang van een vroegtijdig gestarte hartmassage die zo weinig mogelijk onderbroken wordt: CPR starten met hartmassage, cyclussen van 30/2 uitvoeren, voor de ventilatie zich beperken tot 2 pogingen.

Voor meer informatie: info@liguecardioliga.be of www.resuscitation.be